Dijksma betrekt sector bij invullen AMvB voor grondgebonden groei melkveehouderij

koeien in de weiStaatssecretaris Dijksma van Economische Zaken verwacht dat de behandeling van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) waarin grondgebondenheid van de melkveehouderij wordt geborgd, over drie tot vier maanden aan de Tweede en Eerste Kamer zal worden voorgelegd. De Eerste Kamer spreekt de week voor kerst over het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel dat door de Eerste Kamer zal worden besproken bevat nog geen norm voor grondgebondenheid. Het wetsvoorstel borgt de noodzakelijke randvoorwaarden voor verantwoorde groei van de melkveehouderij in het kader van de Nitraatrichtlijn. Melkveehouders die hun fosfaatproductie uitbreiden mogen dat, als onderhavig voorstel in werking is getreden, alleen doen onder voorwaarden.Daardoor kan worden bepaald dat uitbreiding van de fosfaatproductie niet uitsluitend met mestverwerking kan worden gecompenseerd, maar ook gedeeltelijk aan grond gekoppeld moet zijn. Om te bepalen welke grond bij het bedrijf hoort, zal volledig worden aangesloten bij bestaande bepalingen uit de Meststoffenwet.

  Er zijn 3 systematieken voor naar voren gekomen en die zijn verkend door LEI Wageningen UR. Er is gekeken naar de effecten grondmarkt, het bedrijfseconomisch perspectief, de grondgebondenheid van de melkveehouderij en de gevolgen voor de melkveehouderijsector
  1. Grondgebondenheid gekoppeld aan een norm voor het fosfaatoverschot per hectare. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn normen van 100, 80 en 50 kilogram fosfaat per hectare genoemd. De kern van deze systematiek is dat de uitbreiding van de fosfaatproductie op een deel van de bedrijven geheel grondgebonden moet zijn.
  2. Grondgebondenheid bepaald op een standaardnorm van maximaal 3 graasdiereenheden per hectare. De kern van deze systematiek is dat ook bedrijven die niet uitbreiden aan deze norm moeten voldoen.
  3. Grondgebondenheid gekoppeld aan de grond die al bij een bedrijf in gebruik is. De kern van deze systematiek is dat de uitbreiding van fosfaatproductie op alle bedrijven gedeeltelijk grondgebonden moet zijn.


Conclusies:
  • de systematieken een verschillend effect hebben op het aantal melkveebedrijven die aanvullende maatregelen moeten nemen. In de berekende varianten gaat het om 0,5% tot 17% van het totaal aantal melkveebedrijven. Daarbij is ervan uit gegaan dat in de periode tot 2020 15% van de huidige bedrijven zullen uitbreiden en dat melkveebedrijven maximaal inzetten op het voerspoor;
  • het effect op de grondprijs het sterkst is in de Zuidoostelijke provincies;
  • het effect op intensieve bedrijven het grootst is en dat met name deze bedrijven voor de keuze komen te staan de uitbreiding van het aantal dieren te beperken;
  • het effect op de totale grondgebondenheid van de melkveesector beperkt is omdat het grootste deel van de bedrijven óf niet uitbreidt óf door voermaatregelen de toename van fosfaatproductie kan beperken. Bij alle systematieken is sprake van een lichte versterking van de grondgebondenheid;
  • het effect op de uitbreiding van de melkveestapel is beperkt. Dat geldt niet voor systematiek 2. Die leidt tot een daling van het aantal melkkoeien in 2020 met 5% ten opzichte van 2015;
  • het inkomen op sectorniveau daalt naar verwachting tussen 1 en 6 miljoen euro in de systematieken 1 en 3 en met 14 tot 35 miljoen in systematiek 2.


Het rapport van LEI Wageningen UR Scenario’s voor grondgebondenheid waarin de varianten binnen het wetsvoorstel Verantwoorde groei melkveehouderij zijn verkend is te vinden op de website van de Rijksoverheid.

Deel dit artikel